Vererving autosomaal of geslachtsgebonden
Autosomaal betekend dat de aanleg (het gen) voor de
eigenschap ligt op een chromosoom dat niet betrokken
is bij het bepalen van het geslacht.

Autosomale eigenschappen komen dus net zoveel voor bij mannen als
poppen.


De geslachtsgebonden vererving lijkt veel op de

recessieve autosomale vererving met dit verschil dat een
pop nooit split kan zijn voor de geslachtsgebonden
verervende mutatie de man kan dat wel zijn.

Ik schrijf nadrukkelijk kan omdat bij bepaalde paringen de man
niet altijd split is maar dit wel kan zijn.
Ik zal proberen dit op een begrijpelijke manier aan de
hand van de kleur bruin bij de kanarie uit te leggen.
De genen van het geslacht van de vogels worden
symbolisch aangeven met de letters ZZ voor de manen
en ZW voor de poppen.

Op het gen Z zitten alle eigen-schappen die geslachtsgebonden verervend zijn.

Op het gen W ontbreken deze.



Naast geslachtsgebonden vererving bestaat in de auto-
somale vererving de term dominant en recessief.

De dominante eigenschap is die welke wij waarnemen in de
verschijningsvorm.

Zwart bijv. is dominant ten opzichte van bruin. Een manlijke vogel die zowel de bruinfactor
als ook de zwart factor bij zich draagt zal er uiterlijk zwart uitzien omdat zwart dominant is
ten opzichte van bruin.
Er zijn bij onze vogels verschillende manieren waarop de erfelijke aanleg overgedragen kan

worden.

Daarbij is het goed te weten wat de tegenhanger van geslachtsgebonden vererving is.

Alle geslachtsgebonden verervende eigenschappen
bevinden zich dus op het gen Z een man heeft dit dus
ZZ twee keer en een pop heeft maar een gen ZW

Bij een paring geeft elk van de partners de helft van zijn erfelijke
eigenschappen door deze vormen samen de eicel of
gameet waaruit de jonge vogel gevormd gaat worden.
Een man die op beide Z genen zwart verervend is zal
als deze gepaard wordt aan een zwarte pop alleen
zwarte jongen zwart verervend geven.

Wordt deze man gepaard aan een bruine pop zal hij genetisch zuivere zwarte poppen geven.

De mannen echter worden gekoppeld aan het Z gen van de pop en dat is bruin
verervend.

De manlijke jongen uit deze paring zullen dus allen uiterlijk zwart zijn en spilt voor bruin.
Gaan wij deze mannen inzetten voor de kweek dan
hebben deze mannen dus 2 verschillende Z genen.

Te weten een die zwart vererft en een die bruin vererft. Bij
een paring geven deze mannen zowel zwarte als bruine
eigenschappen af.

De Z genen van de man geven dus bij een paring aan een zwarte pop bij de manlijke na geslacht 50% van de mannen die split voor bruin zijnen 50% van de mannen die fok zuiver dus in dit geval dubbelfactorig zwart zijn.

Op het W gen dat de pop afgeeft ontbreken de geslachtsgebonden verervende
eigenschappen in dit geval dus zwart en bruin.

Devrouwelijke nakomelingen uit deze paring zullen dus
als zij gekoppeld worden aan het zwarte gen van de
man zwart zijn wordt het W gen gekoppeld aan dat van
de man met de bruine eigenschap zullen zij bruin zijn.


Bij de mannen is aan de verschijningsvorm niet te zien
of deze geslachtsgebonden verervend kan zijn.
Hieruit is dus op te maken dat een pop nooit split kan
zijn voor een geslachtsgebonden erfelijke eigenschap.
Maar dat dit bij de man wel het geval kan zijn.

Bij een man is echter niet aan de verschijningsvorm waar te
nemen of deze split is voor een geslachtsgebonden verervende eigenschap.

De enige manier om hierachter te komen is door het laten doen van enkele proef
paringen. Hoewel dit gezien het kleine aantal dat wij tot
onze beschikking hebben om deze paringen te doen
nooit 100% zekerheid kan geven.

Zit er bij de nakomelingen van deze kan split zijn mannen een bruin jong
in het nageslacht zijn twee dingen zeker.

Deze man is split voor bruin en het jong is een pop. Geeft een
andere man uit twee proef paringen uitsluitend zwarte
mannen en poppen kan dit een indicatie zijn dat deze
niet split is voor bruin.

Ik zeg met nadruk kan.

Want hoe werkt het precies. Uit de bovenstaande informatie
blijkt dat de kans om een bruine pop uit een paring van
zwarte pop maal split man te krijgen slechts een op
vier is.

Maar dat kan natuurlijk niet zo geïnterpreteerd worden alsof dit een vast staan gegeven is dat een op
de vier jongen dan ook daadwerkelijk bruin moet zijn.


Dit gegeven is gebaseerd op het simpele feit dat bij
elke gameet vorming de kans dat dit een bruine wordt
een op vier is.

Het kan dus zomaar gebeuren dat een split man vier keer het zwarte gen afgeeft in plaats van
het bruine er zullen dan geen bruine jongen worden geboren hoewel de man toch split is. Natuurlijk kan het
tegengestelde ook gebeuren.

Dat de nakomelingen allen poppen zijn en de man uitsluitend het bruine gen
heeft afgegeven.

In dat geval worden er dus vier bruine poppen geboren.

Maar dat is niet waar wij kweken in kleine aantallen waardoor de kans op afwijkingen groot
is.

Als je de uitslag van alle paringen die er geweest zijn
onder ogen zou kunnen krijgen zal duidelijk worden
dat de afwijking bijna nihil is.

Kortom hoe groter het aantal paringen hoe kleiner de kans op afwijkingen.

Duidelijk is dus dat uit een paring van een split man de helft van de poppen bruin is.

Van de jongen is 50% manlijk en 50% vrouwelijk. Dus de kans
op een bruine nakomeling is een op vier.

Hoe zijn erbruine mannen ontstaan? De eerste bruine man kan
alleen ontstaan zijn uit de paring van een split man met
een bruine pop.

Wordt er dan bij de gameet vorming
het Z gen met de bruin factor afgegeven dan wordt dit
gekoppeld aan het eveneens bruine Z gen van de pop.
Het resultaat is dus dat het bruine gen dubbelfactorig
aanwezig is met als resultaat een bruine man.

Een bruine man gekoppeld aan een zwarte pop geeft als nage-
slacht. Uitsluitend bruine poppen. En split voor bruin
mannen. Dit laatste komt doordat het bruine Z gen gekoppeld
wordt aan het zwarte Z gen van de pop.